
Als ik om kwart voor zes in de pannen sta te roeren, zie ik haar door het keukenraam voorbij fietsen. Ze rijdt hard. Ze heeft haar jas open hangen, en haar haar zit in een haastige, scheve staart. Op het rekje voorop haar fiets staat een rieten mandje. Het meisje is buiten adem van het snelle fietsen, maar ondanks dat praat ze tegen het mandje. Ze lijkt het aan te moedigen.
Om kwart voor acht, als ik weer uit het keukenraam kijk terwijl ik koffie maak, zie ik haar weer.
Nu fietst ze de andere kant op. Ze fietst niet meer zo snel als de andere kant op - het lijkt zelfs of ze nauwelijks vooruit komt. Tranen rollen over haar wangen, haar ogen zijn rood. Het mandje staat nog voorop haar fiets. Ik zie dat het deurtje openhangt; het zwaait treurig heen en weer.
Ik zie dat het deurtje openhangt; het zwaait treurig heen en weer.
(gepubliceerd in NRC)
